|
|
Vierde week. Zaterdag
33. Heiliging van de rust
—Jezus’ vermoeidheid. Overweging van zijn heilige mensheid.
—Onze vermoeidheid is niet nutteloos. Deze leren te heiligen. —De plicht tot
rusten, om God en de ander beter te dienen.
33.1
Toen de apostelen zich weer bij
Jezus voegden brachten zij Hem verslag uit over alles wat zij gedaan en
onderwezen hadden. Daarop sprak Hij tot hen: Kom nu eens zelf mee naar een
eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.1
Deze woorden uit het evangelie van de heilige mis van vandaag tonen ons hoezeer
Jezus bezorgd is over zijn leerlingen. Na een intensieve apostolische reis
voelen de apostelen een natuurlijke vermoeidheid en het verbruik van hun
krachten. De Heer beseft dit onmiddellijk en zorgt voor hen:
Zij vertrokken dus in de boot
naar een eenzame plaats om alleen te zijn.
Bij een andere gelegenheid is Jezus,
vermoeid van de
tocht2,
even bij een put gaat zitten omdat Hij geen stap meer kan verzetten. Hij
heeft ervaren, dat vermoeidheid volkomen bij de menselijke natuur hoort. Hij
heeft dit tijdens zijn werk ondervonden, zoals wij dat elke dag ervaren,
gedurende de dertig jaar van zijn verborgen leven. Hij was vaak uitgeput aan
het einde van de dag. De evangelisten vertellen ons hoe de Heer tijdens een
storm op het meer in de achtersteven van de boot in slaap viel; Hij had de hele
dag doorgebracht met preken.3
Hij was zo vermoeid, dat Hij ondanks de hoge golven niet wakker werd. De Heer
deed niet alsof Hij sliep om zijn leerlingen op de proef te stellen; Hij was
werkelijk oververmoeid.
In deze ogenblikken van echte lichamelijke vermoeidheid is
Jezus ook bezig met de verlossing van de mensheid; en zijn zwakheid moet ons
helpen onze eigen zwakheid te dragen en met Hem mee te werken aan de verlossing.
Hoe troostend is het de Heer uitgeput te zien! Hoe dicht staat Jezus op zulke
momenten bij ons!
Als we onze plichten doen, als we op onzelfzuchtige wijze
ons beroep uitoefenen, als we kwistig veel van onze energie verbruiken in het
apostolaat en de dienst van de anderen, dan is het begrijpelijk, dat
vermoeidheid als een bijna onvermijdelijke metgezel opduikt. In plaats van te
klagen over deze werkelijkheid die voor ons allen geldt, moeten we leren dicht
bij God te rusten en ons voortdurend te oefenen in deze houding: «O Jezus! Ik
rust in U»4, zo kunnen we vaak in ons binnenste
zeggen, terwijl we bij Hem onze steun zoeken.
De Heer begrijpt onze vermoeidheid heel goed, omdat Hij zelf
in soortgelijke omstandigheden heeft verkeerd. Wij
moeten leren onze kracht bij Hem te herkrijgen:
Komt allen
tot mij —zegt Hij tot
ons— die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.5
We verlichten onze lasten als we onze vermoeidheid verenigen met die van
Christus en haar opdragen voor de verlossing van de zielen. Onze lasten zullen
verlicht worden als wij met name liefdevol en beminnelijk zorgen voor degenen
die ons omringen, ook als ons dat op die momenten wat meer moeite kost. En we
mogen nooit vergeten dat rust tegelijkertijd een situatie is die we moeten heiligen. Deze periodes
van ontspanning mogen geen gelegenheid zijn om onszelf egoďstisch te zoeken. De
liefde neemt geen vakantie.
—1.
Mc 6,30-31. —2.
Joh 4,6. —3.
Mc 4,38. —4. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 732.
—5.
Mt
11,28. —6.
Joh 4,8 e.v. —7.
G. Chevrot,
Jesus et la
samaritaine. —8.
Gal
6,2. —9.
Vaticanum ii,
Past. const.
Gaudium et spes,
61. —10. H. Jozefmaria Escrivá,
Vrienden van God,
137. —11. Idem,
De Weg, 357.
—12. Vgl.
Johannes Paulus ii,
Angelus,
20 juli 1980.
|